Gjesværstappan


(Klik op de afbeeldingen voor een vergroting)

Ook in haar eigen geboorteland Noorwegen trok Betzy Akersloot-Berg er op uit om geschikte onderwerpen voor haar schilderijen, tekeningen en etsen te vinden. Ze schilderde onder andere deze uit zee opkomende rotsen. Er vliegen vogels rond. Het werk heeft geen titel, maar de rotsen zijn heel herkenbaar. Het zijn de twee meest westelijke Gjesværstappan, de toppen van een eilandengroep ten westen van de Noordkaap (zie kaartje). Wat we zien op het schilderij van Betzy, zijn het grootste eiland Storstappen en het schiereiland Stauren.

De top van het grootste eiland, Storstappen (stor = groot), rijst 283 meter boven zeeniveau; Stauren is 165 meter hoog. Heel vroeger werden de eilanden bewoond. Er was een kerk op Kjerkestappen, vandaar de naam. Deze eilanden worden heden ten dage nog steeds aangeprezen als vogelparadijs. Storstappen is gedurende het broedseizoen niet toegankelijk. Er broeden veel soorten zeevogels, waaronder de Jan-van-gent met zijn witte verenkleed, zwarte vleugelpunten en gele kop met puntige, lichtblauwe snavel.

Kurt Servé

Van die kleurenpracht zien we iets terug in een schilderij van een hedendaagse Deense kunstenaar, Kurt Servé, die ook de Gjesværstappan heeft vastgelegd. De twee toppen zijn bijna hetzelfde, maar zijn schilderij is veel frisser dan dat van Betzy. De zon schijnt, er vaart een knaloranje bootje en er dartelen vogels rond. Het lijken wel Jan-van-genten door hun stijve houding, witte postuur en zwarte punten aan de vleugels.


"Gjesværstappan - Nordkalotten" van Kurt Servé (www.kurtserve.dk)

Jan-van-genten (foto E. Kats - www.natuurfocus.com)

Het schilderij van Betzy is veel somberder dan dat van Kurt. Het is ook heel contrastrijk, diepzwart op sommige punten. Dat komt, zo heb ik mij laten vertellen, doordat ze ook echt zwarte verf heeft gebruikt. Of dat uit gebrek aan andere verf was of dat ze ervoor koos om zwarte verf te gebruiken is niet bekend. Wel weten we dat kunstenaars zeer zelden zwart in pure vorm gebruiken. Meestal worden donkere tinten bruin of blauw gebruikt om zwart te suggereren.

Dordrechts Nieuwsblad

Eind 19de eeuw was er in het Dordrechts museum een tentoonstelling met zeven werken van Betzy Berg. In Dordrechts Nieuwsblad (25 maart 1890) werd de tentoonstelling besproken en over dit schilderij werd nogal bewogen geschreven:
"Het groote schilderij "Gjäsvär" is een indrukwekkend stuk. Wij zagen de beide rotsen reeds vroeger op een ander doek van Betsy (sic!) Berg, maar onder een ander licht en in eene andere atmosfeer, een bewijs, dat de bezielende kracht, die van dit koude steen uitgaat, niet spoedig is uitgeput. Ditmaal schilderde de kunstenares dezen geweldige granietklomp bij een broeienden storm. somber en dreigend, als vormlooze overblijfselen uit de scheppingsperiode der wereld, rijzen de beide gevaarten uit den schoot der zee op. Om hun voet zwalpt het groene water in rustelooze woeling. Een zware bewolkte lucht, zwanger van een storm, dempt het zonlicht, dat evenwel nog vergulde schamplichten en zware slagschaduwen op de beide steenen reuzen werpt. De lucht vooral is op dit doek treffend schoon. Er zit een kracht en een diepte, een licht en een kleur in, die blijk geven van ernstige studie. Indien ik op dit schilderij wat af te dingen vind, betreft het alleen eene aanmerking, die niet alleen dit, maar alle composities van Betsy Berg mij ontlokken, het is al de eentonigheid van het op geen harer werken ontbrekende voorstuk, een strook land of een groep rotsblokken op den voorgrond, die ten doel hebben het tafereel meerdere diepte te geven."
(...)
"En het is of wij de donkere hoeken van de oceaan zien opborrelen en open gaan, tot het hart der wateren de midgaardslang, dat monster uit de Noorsche godenleer oprijst, om de wereld in zijn geweldige kaken te begraven. Dan schijn t het of de lichte kim zich opent en den Dondergod doorlaat, die met zijnen hamer het gedrocht weer zal terugbannen in de diepte, totdat de tijden vervuld zullen zijn, dat geen godenkracht meer in staat zal wezen, om de machten der duisternis te bedwingen of aan banden te houden. Dan vallen zelfs de machtige goden van het Noorden, de wereld gaat in vlammen op een een nieuwe aarde verrijst, door andere goden in een anderen hemel bestuurd.
Zoo luidt de mythe.
Maar de oude Gjäsvär heeft zoo min ergernis als spot voor al die kleinheid over. Hij staat er en hij blijft;  de zee is er en zal er zijn, welke goden ook regeeren; en over beide welft zich een eeuwig blijvende lucht. Zelfs de goden der Edda mogen oud worden en sterven, de natuur blijft altijd de zelfde, zij is de eenige, wier jeugd eeuwig is.
Dat is de les, die de oude Gjäsvär ons geeft."

(G0427)